Jeugdbewegingen in Vlaanderen doorgelicht


Dat de jeugdbewegingen hoofdzakelijk kinderen aantrekken uit autochtone middenklasse gezinnen is een vaak gehoorde opmerking. Deze opmerking is niet geheel onterecht: jeugdbewegingen bereiken geen doorsnede van de bevolking. Vaak komen leden en leiding uit intacte gezinnen, waarbij de ouders hoger opgeleid zijn en vaker tewerkgesteld zijn. Die ouders zijn vaak zelf lid geweest van een jeugdbeweging – maar niet noodzakelijk dezelfde – en vaker actief in het verenigingsleven. Het ‘erfelijk’ karakter van het lidmaatschap lijkt zelfs toe te nemen: niet minder dan 80% van de leiding heeft tenminste één ouder die lid geweest is van een jeugdbeweging; dat is 10% meer dan in 1991.

Toch lijken er heel wat jongeren uit kansengroepen actief binnen de jeugdbewegingen, meer dan door de groepsverantwoordelijken wordt ingeschat. Als we kijken naar de mate van diversiteit in de groep (en dit gaat zowel over allochtone leden, leden in kansarmoede, leden met een functiebeperking en holebi leden), zien we dat de schatting van de groepsleiding systematisch onder de werkelijke diversiteit ligt. Dit is op zich niet zo vreemd gezien ‘diversiteit’ niet altijd zichtbaar is. Toch is dit niet zonder belang: als het niet zichtbaar is, zal er ook minder rekening mee gehouden worden.

Binnen de groepen ligt men niet altijd wakker van het thema. De houding is zeker niet negatief – leiding en hoofdleiding beweren open te staan voor kansengroepen – maar tegelijk geven ze aan zelden actief op zoek te gaan naar deze groepen. De overtuiging leeft dat kansengroepen moeilijker te bereiken zijn, en dit omwille van een gebrek aan diversiteit in de omgeving, financiële beperkingen en geloofsovertuigingen van diverse jongeren. De erfelijkheid van het lidmaatschap speelt ook hier wellicht een rol. Zo wordt de beslissing van allochtone leden om in leiding te stappen meer door vrienden dan door ouders bepaald. Of de diversiteit binnen een beweging effect heeft op de werking of de overtuigingen van leiding en leden, is niet makkelijk na te gaan. Uit analyses blijkt wel dat etnocentrische gevoelens bij de jongeren niet stijgen of dalen naarmate meer leden van andere etnische groepen aanwezig zijn. Overigens zien we dat een groter aandeel leden van allochtone herkomst in een groep samenhangt met positievere opvattingen ten opzichte van drugs, en minder traditionele opvattingen met betrekking tot de rol van de man.

Nochtans stellen we vast dat de allochtone jongeren zelf minder positief staan ten opzichte van drugs en er meer traditionele opvattingen op nahouden met betrekking tot de rol van de man. Die samenhang heeft dus wellicht meer te maken met de groepscultuur, in die zin dat ‘vooruitstrevendere’ groepen opener staan voor diversiteit.

Je kan het volledige rapport donwloaden op de website van het agentschap voor sociaal-cultureel werk